Arp: The Poetry of Forms

Gepubliceerd op: 18 July 2017
Dada is niet alleen de Antwerpse vertaling van het Hollandse doei, het is vooral een kunststroming (film, literatuur, muziek, beeldende kunst) die ondanks de eigen doelstellingen toch respectabel is geworden en vooral door begoede verzamelaars ten zeerste au sérieux wordt genomen. Nu wijdt Kröller-Müller een overzichtstentoonstelling aan het beeldend en poëtisch werk van een dada-icoon bij uitstek, de Duits-Franse Hans (of Jean) Arp. Een honderdtal werken worden tentoongesteld, vergezeld van belangrijke documenten en fotomateriaal. In de museumshop zijn behalve de tentoonstellingscatalogus ook dichtbundels (in Nederlandse vertaling) van Arp te koop. De tentoonstelling legt ook de nadruk op de samenwerking tussen Arp en zijn vrouw, Sophie Taeuber.
 
René HOOYBERGHS
 
De titel van de tentoonstelling is opvallend goed gekozen. Hoe anders de vorm (én de titel) van een werk als ‘Twee gedachten op een navel’ (1932) te omschrijven als poëtisch? Het is een relatief klein werk (uit het museum van Straatsburg), beschilderd gips, kwetsbaar als de verzen van Arp, een fijner symbool van de versmolten artistieke geesten van het echtpaar Arp valt moeilijk te bedenken. En de geabstraheerde menselijke of natuurlijke vormen in de sculpturen: menselijke vormen, of een ‘Pagoda fruit op schaal’, de verbluffende schoonheid van de essentie van het voorwerp. Nog essentiëler kan het: ‘Schelp gevorm door een menselijke hand’, in kalksteen uitgewerkt – wie moet nog naar zee om schelpjes te rapen? Dit spelletje met de werkelijkheid komt helemaal uit surrealistische sferen met een titel als ‘Sculptuur om in het bos verloren te raken’, alweer een van een verbluffende eenvoud rustige vorm, het zou een naakt kunnen zijn, de armen die er niet zijn achter het hoofd dat er niet is, royaal ontspannen in perfecte harmonie met zichzelf: een plaasteren, fragiel, wit beeldje van nauwelijks twintig centimeter lang.
 
Betekenisloze vorm
Een heel aparte plek heeft het werk van Arp op papier, de collages, de titelbladen van poëziebundels, het lijkt wel hobbyisme, collages hebben daar wel eens meer last van, maar steeds van een esthetisch verantwoorde eenvoud, zoals de Merz-litho’s: een navel (de persoonlijke navel van Arp kan je bewonderen op een foto in een documentatiekast), een snoruurwerk, een snorhoed, en dan onverhoeds: de zee. Het beschilderd hout: het lijkt wel speelgoed, een Paardevogel uit 1916, maar exact dertig jaar later, ook al uit een particuliere collectie: een glanzende Zomermetoop (een metoop is een paneel op een Dorische zuil). Betekenisloze vorm, a-symbolisch en het lijkt wel dromerig geschetst en met de losse hand een stevige vorm gegeven, symboliek uit het onderbewuste.
Het plaasteren ‘naakt’ van hierboven, die sculptuur om in het bos verloren te raken, komt even later terug in brons, glanzend en sjiek: hoeveel mooier is die originele plaaster, hoeveel minder pretentieus – nochtans stemmen ze beide uit hetzelfde jaar 1932. Ook een Sirene, tien jaar jonger, is mooier in plaaster dan het bekende torso uit het Gemeentemuseum van Den Haag (1956). Arp hoeft niet te glanzen om te blinken. Maar in Otterlo neemt toch het werk op beschilderd hout een ereplaats in: kijk naar het zwart/blauw/grijs/witte werk ‘Oneindige amfora’ uit 1929: in een zwarte lijst trekt vanaf onderaan links, bijna tegen het hoekje, een golvende witte lijn naar de rechterbovenhoek, iets boven het midden onderbroken door een grijs vlak, het zou een gestileerde vogel kunnen zijn, of inderdaad het handvat van een amfora, het speelt geen rol wat het is: het is oneindig, het begint in je verbeelding véél verder onder dat kader en loopt boven oneindig door. Een amfora? Of was dat maar een woordspelletje, ‘onbewust’ ontstaan door het Egeïsche blauw van de achtergrond?
 
Aubette
En dan, aan het eind van de tentoonstelling in een apart zaaltje, wacht een leuke verrassing voor wie zelf wat wil beleven: de maquettes van de befaamde Aubette in Straatsburg, ze was vervallen maar is gerestaureerd: de gezamenlijke droom van Theo van Doesburg, Jean Arp en Sophie Taeuber. Er zitten knopjes aan om een binnenverlichting aan het werk te zetten, maar dat geeft maar een pover resultaat. Liever – je moet met z’n twee zijn – druk je zo’n knopje in, en neem dan via het kijkgat met je telefoon een foto van het binnenzicht: het resultaat is prachtig.
Als je langs dat gladde, glanzende, geestrijke werk van Hans en Sophie Arp-Taeuber loopt, lijkt het wel alsof die twee levens zich moeiteloos in een atmosfeer van absolute rust en sereniteit hebben afgespeeld, een ongestoord en onbekommerd leven hebben geleid. Niets is minder waar: wie in 1886 geboren werd en leefde tot 1966 heeft zijn portie ellende en oorlog wel gekend, waarheen hij ook kon vluchten en hoe welgesteld en gelauwerd hij zijn leven ook kon beëindigen – in het immer veilige Zwitserland dan nog. Nog in 1966, een paar maand voor zijn dood, dichtte hij, al drieëntwintig jaar weduwnaar: ‘aan het gekkenhuis aarde/wil een arme man ontkomen./hij kan geen uitweg zien/heeft honger bovendien./ja hij bezit helemaal niets/niets zichtbaars of onzichtbaars’.
 
7 juni ’17
 
 

Praktische Info

‘Arp: The Poetry of Forms’ tot 12 september 2017 in Museum Kröller-Müller, Otterlo, NL. krollermuller.nl

Keywords

Geen keywords beschikbaar.