Musée d’Orsay verkent het beeld van de zwarte in de kunst

Gepubliceerd op: 14 July 2019

Eindelijk weten we wie de zwarte vrouw is op het beroemde schilderij ‘Olympia’ van Manet. En wie de zwarte man is die Géricault zo vaak schilderde. Ze hebben een naam gekregen en dus een identiteit. Maar wordt daarmee de discriminatie opgelost? Het Musée d’Orsay in Parijs laat zien hoe de zwarte werd voorgesteld in de kunst en hoe dat beeld evolueerde. Van Géricault tot Matisse en daarna.

Eric RINCKHOUT

‘Le modèle noir de Géricault à Matisse’ is een boeiend overzicht in Musée d’Orsay dat laat zien hoe fenomenen als racisme, discriminatie en superioriteit in kunst en geschiedenis voorkomen. De tentoonstelling is oorspronkelijk een idee van de zwarte Amerikaanse onderzoekster Denise Murrell, die verbonden is aan de Wallach Art Gallery van Columbia University in New York. Haar uitgangspunt was even eenvoudig als ambitieus: ze wilde meer te weten komen over de zwarte dienstmeid in het schilderij ‘Olympia’ (1863) van Edouard Manet. In zowat alle naslagwerken wordt ‘Olympia’ beschouwd als hét schilderij waarmee het modernisme begint. Dat heeft onder meer te maken met het onderwerp: Manet schildert een prostituee die niet als een godin maar als een vrouw van vlees en bloed de toeschouwer hooghartig in de ogen kijkt, alsof die een klant is die haar kamer binnenstapt. Daar spraken de toenmalige toeschouwers – uitsluitend heren van stand – schande over, te meer omdat men ook wist wie deze vrouw was: Victorine Meurent, een bekend model. Maar ook het onaffe aspect en Manets ruwe manier van schilderen zetten kwaad bloed toen ‘Olympia’ getoond werd op de officiële salon van 1865 in Parijs en daar tussen verfijnde, academisch gepenseelde voorstellingen hing van etherische naakten met een marsepeinen huid. ‘Wat ik altijd al vreemd vond’, zegt Denise Murrell, ‘is dat er twee vrouwen op dat doek te zien zijn: een blanke én een zwarte. Maar in de talloze analyses wordt er nauwelijks gesproken over die zwarte vrouw. Alle kunsthistorici nemen voetstoots de opvatting van Emile Zola over dat de schilder het zwart van de dienstmeid gebruikt om de witte huid van de courtisane helderder te laten uitkomen.’

Blank fantasme

Nochtans betekent de manier waarop Manet de zwarte vrouw schildert een breuk met het toen in zwang zijnde oriëntalisme: schilderijen met scènes in een of ander exotisch oord waar zwarte of gekleurde vrouwen meestal naakt en in een onderdanige, slaafse rol als lustobject worden uitgebeeld. Manet daarentegen schildert de zwarte vrouw helemaal aangekleed en laat haar echt deelnemen aan de scène. Ze heeft een bos bloemen in de hand, vermoedelijk een geschenk van de klant die net de kamer heeft betreden. Denise Murrell ging dus op zoek naar wie model stond voor die zwarte vrouw. In een van de notitieboekjes van Edouard Manet vond ze de aantekening: ‘Laure, très belle négresse’. Het woord ‘négresse’ was toen algemeen gangbaar. Laure woonde blijkbaar in de rue Vintimille nr 11 in het 3de arrondissement van Parijs. Een achternaam heeft Murrell niet gevonden. Wel Laure een appartement huurde in een gebouw waar arbeiders en winkeliers woonden. Edouard Manet schokte de goegemeente nog meer doordat hij een prostituée een dienstmeid meegaf: normaal was (zwart) personeel voorbehouden voor de betere burgerij, al dan niet met een koloniaal verleden. Manet draait bovendien de codes om: de zwarte of gekleurde vrouw diende normaliter als fantasma voor de blanke mannelijke toeschouwer. Hier is ze aangekleed, vervult ze geen seksuele rol en werkt ze in het kader van het moderne leven in Parijs. Murrell ontdekte voorts dat Laure ook model heeft gestaan voor het schilderij ‘Jeune Femme aux Pivoines’ (1870) van Frédéric Bazille, waar ze de toeschouwer recht in de ogen kijkt. Dat werk heette tot voor kort ‘Négresse aux pivoines’. Musée d’Orsay gaat trots op die nieuwe, politiek correcte titel. Maar of dat veel verandert aan de perceptie valt te betwijfelen. Gespierd model Op een soortgelijke manier is men op het spoor gekomen van een mannelijk model, Joseph, die onder meer op het legendarische schilderij ‘Le Radeau de la Méduse’ (1818) van Théodore Géricault een hoofdrol speelt. Het zal tot nu toe weinigen zijn opgevallen, maar de man die op het zwalpende vlot bovenaan de mensenpiramide zit en met een hemd of doek naar een ver schip zwaait, is een zwarte: Joseph, die in 1804 uit Haïti (toen nog Saint-Domingue) in Parijs aankwam en aanvankelijk de kost als acrobaat verdiende. Joseph moest in ‘Le Radeau’ niet alleen de aandacht trekken van het schip dat de uitgeputte overlevenden komt redden, hij stond ook model voor nog twee andere schipbreukelingen: zijn gespierde lichaam contrasteert met de uitgemergelde, verzwakte en stervende blanke mannen op hetzelfde vlot. Géricault wilde een belangrijk signaal geven door een zwarte de hoofdrol te laten spelen in zijn monumentaal schilderij. Géricault was immers een tegenstander van de slavernij, die in 1794 weliswaar was afgeschaft in de Franse koloniën, maar in 1802 door Napoleon weer werd ingevoerd. Toch is het niet zo dat vanaf modernisten als Manet en Géricault het racisme in de kunst langzaam zou verdwijnen. We weten wel beter. Racisme is hardnekkig en het parcours richting emancipatie is zeer grillig en vaak bizar. Zo wordt Joseph ook gebruikt door Ingres. En op een perfide manier. Ingres vraagt in 1838 aan zijn leerling Théodore Chassériau om een reeks olieverfschetsen te maken van Joseph. Een daarvan hangt in de tentoonstelling ‘Le modèle noir’. Maar noch Chassériau noch Joseph zelf weet dat het gaat om voorbereidende schetsen voor het schilderij ‘Jezus die Satan verjaagt’, waarin Joseph model staat voor … de duivel. Bepaalde clichés en stereotypen blijken bijzonder hardnekkig te zijn. Uiteindelijk zal Ingres het schilderij nooit voltooien.

Sluipend racisme en blanke superioriteit

Er zijn ook subtieler voorbeelden van sluipend racisme en blanke superioriteit. Zo hangt er in Musée d’Orsay een monumentaal werk, een bestelling van de Franse regering om de afschaffing van de slavernij – deze keer definitief in 1848 – gepast te vieren. De inmiddels vergeten schilder François-Auguste Biard toont de vreugde van ‘de zwartjes’ tegen de achtergrond van een Antilliaans landschap. De afschaffing van de slavernij wordt er uitgeroepen door een uiteraard blanke vertegenwoordiger van de Franse regering, die met zijn hoge hoed in de hand op een podium staat. Zijn lichaamstaal benadrukt het grootse en edele gebaar van de Franse overheid. De zwarten zijn naakt en als kinderen gelukkig – zo worden ze toch voorgesteld. Ze zijn de aanwezige blanken bijzonder dankbaar dat hun ketens gebroken zijn. Als staaltje van betuttelend paternalisme en zelfbewieroking kan dit schilderij wel tellen. Ook de houding van fotograaf en tekenaar Félix Nadar is op z’n minst dubbelzinnig te noemen: enerzijds maakte hij in de loop van de jaren 1850 waardige portretfoto’s van zwarten zoals Maria l’Antillaise, een toentertijd bekende zangeres uit Cuba. Maar tegelijk tekende hij grove karikaturen van de schrijver Alexandre Dumas père, een zogeheten mulat, kleinzoon van een plantage-eigenaar op Haïti en een zwarte slavin. Nadar accentueert in zijn spotprenten tot op ridicule hoogte het kroeshaar, de dikke lippen en de platte neus van Dumas. Dit soort denigrerende karikaturen leidden een lang leven, tot op de affiches voor ‘le revue nègre’ of cacao en chocolade, diep in de 20ste eeuw.

 

Fotogalerij

Praktische Info

Le modèle noir de Géricault à Matisse, nog tot 21 juli in Musée d'Orsay, 1 Rue de la Légion d'Honneur, Parijs.

Keywords